Gids voor bezoekers van het Muiderslot                                                                                                Terug


Slopen of restaureren?

Ten tijde van de Bataafse Republiek namen de Franse troepen het Muiderslot als kazerne in gebruik. Op persoonlijk bevel van keizer Napoleon Bonaparte werden de krijgsbehoeften in het Slot opgeslagen. Op een gegeven moment lag er maar liefst 90.000 ton buskruit in de kelders van het inmiddels sterk verwaarloosde kasteel. De vraag was hoe lang de vloeren deze last nog zouden kunnen dragen.

In 1823 werd de noodklok geluid en nog geen jaar later werd het Slot door het Departement van Oorlog ontruimd en overgedragen aan Domeinen. De ontvanger der Domeinen besloot het Muiderslot ‘voor afbraak te verkopen’. De opbrengst uit sloop werd verkozen boven een verder oplopende staatsschuld door de jaarlijkse kosten voor noodzakelijk onderhoud. Monumentenzorg speelde in het jonge koninkrijk nog geen enkele rol.

Het regende protesten aan het persoonlijke adres van Koning Willem I, onder andere afkomstig van de inwoners van Amsterdam, Muiden, Naarden en Weesp. Zij wilden desnoods zelf het Slot en de grond kopen teneinde het kasteel te kunnen behouden ter nagedachtenis aan Pieter Cornelisz. Hooft, groot dichter des vaderlands én de beroemdste bewoner van het Muiderslot. Koning Willem ging door de knieën en de verkoop werd enkele dagen later ‘op hoog bevel’ afgeblazen. Het Muiderslot was voorlopig gered. Maar van enige vorm van restauratie was nog lang geen sprake.

In de twee decennia daarna bogen verschillende commissies zich over een waardige herbestemming voor het roemruchte ‘Hoge Huys’. De aanbevelingen leverden echter geen enkele concrete actie op. Pas in 1878 werd het Muiderslot weer op de kaart gezet, door jonkheer Victor de Stuers. Hij bracht het onder bij zijn eigen afdeling Kunsten en Wetenschappen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Voortaan zou er jaarlijks een vast bedrag aan de restauratie van het Muiderslot besteed worden.

In 1895 werd J.H.W. Berden als opvolger van de beroemde architect dr. P.J.H. Cuypers (bouwheer van onder andere het Rijksmuseum en kasteel De Haar) belast met de eerste grote restauratie van het Muiderslot. Tot aan 1909 zou hij het uiterlijk van het Slot ingrijpend veranderen, in lijn met zijn ideaalbeeld van ‘een volmaakte middeleeuwse burcht’.

Ondertussen was in 1882, naar aanleiding van de herdenking van de 300ste geboortedag van P.C. Hooft een jaar eerder, de ‘Commissie voor de Inwendige Restauratie van het Muiderslot’ opgericht. De commissie gaf medelid Cuypers de opdracht om het interieur van het Slot, als gedenkteken voor P.C. Hooft en de Muiderkring, in zeventiende-eeuwse stijl te herstellen – een visie die onvermijdelijk zou botsen met de voorkeur van restauratie-architect Berden.

Van 1956 tot 1972 vond op initiatief van slotvoogd Ton Koot een tweede grote restauratie plaats. Het kasteel werd opnieuw onderhanden genomen, waarbij het uitgangspunt niet langer een reconstructie naar de Middeleeuwen was. Veel meer wilde men het Slot behouden zoals het zich door de eeuwen heen ontwikkeld had. De inwendige en uitwendige restauratie van het kasteel bleven in één en dezelfde hand. Tijdens deze restauratie werd een aantal ingrepen van zowel Berden als Cuypers weer ongedaan gemaakt. De door Cuypers in de Ridderzaal aangebrachte neo-zeventiende-eeuwse schouw en de zaalbetimmering werden bijvoorbeeld weer geheel verwijderd.

In lijn met de veranderingen in en aan het Slot werd ook het gebied rond het kasteel ontsloten en heringericht naar de veronderstelde situatie in Hoofts tijd. De vestingwallen werden gereconstrueerd en er werden een pruimenboomgaard en een historische kruidentuin aangelegd. Met name deze zogenaamde Cruydhof vormde een onmisbaar deel van het leven op het Slot. De tuin leverde onder meer geneeskrachtige kruiden (goudsbloem, zeepkruid), kleurstoffen voor wol en garen (meekrap), reuk- en smaakkruiden voor spijzen en wijnen (rozemarijn, maanzaad), vruchten voor keuken en tafel en bloemen ter versiering.

In 1999 werd de restauratie van vesting en tuinen afgerond met de aanleg van een zeventiende-eeuwse groentetuin, de Warmoeshof.